skip to Main Content

Stamceltherapie bij progressieve muis MS

Muizen met een progressieve vorm van muizen-MS die twee typen embryonale neurale stamcellen via hun aderen ingespoten kregen verbeterden niet. Als de stamcellen via de buikholte geïnjecteerd werden had een van de typen wel enig effect. Waarschijnlijk komen de stamcellen niet terecht in de organen waar ze invloed op de MS kunnen uitoefenen.

Stamcelonderzoek naar therapieën voor MS gebeurt tot nu toe vooral met volwassen stamcellen uit de hersenen. Bij muizen met progressieve EAE, een op MS lijkende ziekte bij muizen, zijn goede resultaten bereikt met dat type stamcellen. De cellen werden in diverse onderzoeken op verschillende manieren toegediend, namelijk via het ruggenmerg, de bloedbaan of de buikholte. Een groep Australische onderzoekers deed nu een studie met embryonale stamcellen. Het voordeel van dit type cellen is dat je ze relatief snel kunt kweken, waarbij je ze zich gemakkelijk kunt laten ontwikkelen (differentiëren) tot neurale stamcellen.

De onderzoekers gebruikten twee typen embryonale stamcellen, afgekort 46C-NS- en GS-N-cellen. Die lieten ze differentiëren in neurale stamcellen. Ze vergeleken de prestaties van die cellen met al eerder geteste stamcellen uit de hersenen, afgekort NSC-cellen.

Eerst gingen de onderzoekers na of de stamcellen het afweersysteem remden. Daartoe kweekten ze de cellen samen met muizen-miltcellen. Ze namen de milt omdat de T-cellen zich in dit orgaan vermeerderen. De GS-N- en de NSC-cellen bleken de deling van de T-cellen en de uitscheiding van een aantal onstekingsbevorderende cytokines goed te remmen, waarbij de NSC’s het beste presteerden. 46C-NS-cellen remden alleen de uitscheiding van de cytokines, maar deden niets met de T-cellen.

Daarna injecteerden ze de cellen in de bloedbaan van muizen met progressieve EAE. Ter controle injecteerden ze ook muizen met een oplossing zonder stamcellen. Een dag later bepaalden ze de klinische gezondheid van de muizen door de kracht in hun staart, voor- en achterpoten te meten. In tegenstelling tot eerder onderzoek bleken de NSC’s de lichamelijke achteruitgang van de muizen nu niet te vertragen. Ook de beide types embryonale stamcellen hadden geen effect.

Om te achterhalen wat de oorzaak hiervan was keken de onderzoekers in hoeverre de stamcellen zich in de muis verspreidden. Daartoe dienden ze de muizen GS-N-cellen toe, waarvan het kern-DNA gemerkt was met een fluorescerende stof. Vierentwintig uur erna doodden ze de muizen en bepaalden ze de concentratie stamcellen in verschillende organen. De fluorescerende stof kon alleen in de nieren gedetecteerd worden. In de hersenen, longen, milt en lymfeklieren kon die niet aangetoond worden. Dit wijst erop dat de stamcellen slecht migreerden. Nader onderzoek toonde aan dat de GS-N-cellen bepaalde moleculen, zogenaamde adhesiemoleculen, aan de buitenkant van de cel misten. Adhesiemoleculen zorgen ervoor dat een cel herkend wordt en toegelaten wordt tot een weefsel.

Eerdere studies hadden laten zien dat toediening van stamcellen via de buikholte effectief was. Daarom werd deze methode ook getest met embryonale stamcellen. Eerst probeerden de onderzoekers een lage concentratie NSC’s omdat die de beste resultaten hadden gegeven bij de proeven met de miltcellen. Al kort na de injecties verbeterde de klinische gezondheid van de muizen. Daarna dienden ze een hoge concentratie van de 46C-NS- en GS-N-cellen toe. De GS-N-cellen bleken pas 10 dagen na de injecties een verbetering te geven en de 46C-NS-cellen hadden geen enkel effect. Het ruggenmerg van de met GS-N- en 46C-NS-cellen behandelde muizen werd histopathologisch onderzocht. Zoals verwacht had er door de GS-N-cellen minder ontsteking, minder myeline-afbraak en minder schade aan de zenuwen had plaatsgevonden. Typisch genoeg hadden de 46C-NS-cellen de ontsteking ook afgeremd.

De onderzoekers concluderen dat stamcellen via de aderen toegediend de milt en andere plaatsen waar ze ontsteking remmen niet bereiken. Verder onderzoek is nodig om de herkenbaarheid van de cellen te verbeteren.
Een andere oorzaak voor het slechte functioneren van de 46C-NS-cellen is mogelijk dat de media waarin zij de cellen kweekten en differentieerden niet optimaal waren. Het is dus noodzaak protocollen te maken waarbij zo optimaal mogelijk stamcellen gevormd worden.

Zie ook: Stamceltherapie bij progressieve muis-MS – 25-05-2012

Bron: Payne NL, Sun G, Herszfeld D, Tat-Goh PA, Verma PJ, Parkington HC, Coleman HA, Tonta MA, Siatskas C, Bernard CCA
Monash University, Clayton, Australia.
PloS ONE 7(4): e35093.

Back To Top