skip to Main Content

Aangepaste McDonald-criteria 2010

De aangepaste McDonald-criteria 2010

Een internationale groep neurologen heeft in 2010 voor de tweede keer de bestaande criteria enigszins herzien om sneller de diagnose MS te kunnen stellen, rekening houdend met nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek maar zonder afbreuk te doen aan de zorgvuldigheid.

De nationale MS-vereniging van de VS (NMSS) organiseert en ondersteunt, met aanvullende financiële bijdrage van de internationale MS-federatie (MSIF), het zogeheten ‘International Panel on Diagnosis of MS’, hierna te noemen het MS-diagnosepanel.

Dit panel ontwikkelde in 2001 nieuwe criteria voor het vaststellen van de diagnose MS. Deze toen nieuwe criteria, de zogenoemde McDonald-criteria,  zijn sinds die tijd uitgebreid gebruikt en beproefd.  Aan de hand van de resultaten van  nieuw onderzoek zijn deze criteria uit 2001 in 2005 met aller instemming bijgesteld en goedgekeurd  onder voorzitterschap van professor Chris Polman, verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

De vaststelling of iemand bij het zich openbaren van  neurologische symptomen en verschijnselen mogelijk MS heeft, is altijd al moeilijk geweest. Er is nu eenmaal niet één methode waarmee je de diagnose MS nauwkeurig kunt stellen. In het verleden betekende de diagnosestelling het verzamelen van bewijs uit de ziektegeschiedenis van de patiënt, een klinisch onderzoek en een aantal laboratoriumbepalingen, allemaal met het doel mogelijke oorzaken van alle andere ziektes uit te sluiten en zo voldoende bewijs te verzamelen dat er inderdaad sprake is van MS.

Onderzoek met behulp van magnetische resonantie technieken (MRI) is steeds belangrijker geworden als gereedschap om de diagnose MS te bevestigen. Het was echter pas in 2001 dat het MS-diagnosepanel nieuwe criteria voor de diagnose presenteerde die zich in het bijzonder richtten op het gebruik van de MRI als hulpmiddel bij de diagnose.

Neurologen hebben deze “McDonald criteria voor de  diagnose van MS” sinds hun publicatie in de Annals of Neurology van 2001 wereldwijd in gebruik genomen. Sindsdien hebben zij  veel overleg met elkaar gehad over deze criteria.

Eerste herziening in 2005

In dat overleg kwam een aanzienlijke hoeveelheid nieuwe informatie over de bruikbaarheid van de McDonald criteria vrij.  Het MS-diagnosepanel  kwam in maart 2005 bij elkaar om al het nieuwe onderzoek te bestuderen en om de oorspronkelijke criteria te herzien en in een aanbeveling samen te vatten. Deze aanbeveling is ‘herziene McDonald Diagnose Criteria voor MS, 2005’ genoemd. Hij maakt het mogelijk de diagnose MS sneller en met meer zekerheid te stellen.

Conclusie

De Herziening van de McDonald Diagnose Criteria voor MS in 2005 zijn bedoeld om de diagnose MS te versnellen en zekerder te maken (tabel 4). Net als met de oude criteria uit 2001, moeten deze criteria ook nu nog gevolgd worden door meer onderzoek.

Verwacht mag worden dat dit nieuwe onderzoek in de toekomst zal uitmonden in verdere verfijningen van deze criteria. De herziening van  2005 legt opnieuw de nadruk op  objectief klinisch- en niet klinisch diagnostisch bewijs. De diagnose MS blijft gedeeltelijk toch een subjectief proces.

Het beste is om een deskundige die goed bekend is met de ziekte de diagnose te laten stellen. Hij of zij kan het niet klinisch diagnostische bewijs zo uitleggen dat het aanvullend is bij de klinische diagnosestelling.

Tabel 1

Twee manieren om de uitbreiding van laesies in de loop der tijd aan te tonen:
  1. Tenminste drie maanden na de eerste verschijnselen van de ziekte is er na inspuiten van contrastvloeistof een verse laesie te zien op een andere plaats dan tevoren.
  2. Er is  een nieuwe T2 laesie verschenen bij vergelijking met  een scan, die tenminste 30 dagen na de eerste klinische verschijnselen is gemaakt.

 

Tabel 2

Criteria om ruimtelijke uitbreiding van laesies aan te tonen:
Drie van de vier volgende punten zijn noodzakelijk:

  1. Eén verse laesie  na spuiten van contrastvloeistof of negen zeer duidelijk zichtbare  T2- laesies terwijl er geen verse laesie te vinden is.
  2. Ten minste één infratentoriale  laesie
  3. Ten minste één juxtacorticale laesie
  4. Ten minste drie periventriculaire laesies

 

Tabel 3 Diagnose MS die vanaf het begin progressief verloopt:

1. Eén jaar waarin de ziekte verergert, achterafgezien of voorspellend
2. Plus twee van drie van de volgende punten:

  • een positieve MRI van de hersenen (9 T2 laesies of minstens vier T2 laesies met  daarbij een afwijkende prikkelgeleiding van zenuwen)
  • Positieve MRI van het ruggenmerg (2 scherpe T2 laesies)
  • met iso-electrische focussing (IEF) aangetoonde oligoclonale banden en/of verhoogde IgG-index in hersenvocht

 

Tabel 4 Klinische bevindingen en te leveren extra bewijs

  • Twee of meer aanvallen, objectief klinisch bewijs van twee of meer laesies; geen extra bewijs nodig.
  • Twee of meer aanvallen, objectief klinisch bewijs van 1 laesie. Extra bewijs: meerdere plekken te zien bij MRI of twee of meer laesies te zien bij MRI plus een positieve uitslag van het hersenvocht of wachten op een nieuwe klinische aanval die wijst op een laesie op een  andere plek.
  • Eén aanval; objectief klinisch bewijs van twee of meer laesies. Extra bewijs: op verschillende tijdstippen moeten plekken te zien zijn bij MRI of er moet een tweede klinische aanval plaatsvinden.
  • Eén aanval; objectief klinisch bewijs van één laesie. Extra bewijs: op meerdere plaatsen moeten harde plekken te zien zijn op de MRI-scan, of er zijn twee laesies die bij MS lijken te horen op de MRI -scan plus een positieve uitslag van het hersenvocht; EN er moeten op verschillende tijden laesies op de MRI-scan te zien zijn of er moet zich een tweede klinische aanval voordoen.
  • Een verraderlijke neurologische achteruitgang die op MS duidt. Extra bewijs: één jaar van achteruitgang (achterafgezien of voorspellend), EN twee van de drie  volgende verschijnselen:
    1. Een positieve hersen-MRI-scan (9 T2 laesies of minstens 4 T2 laesies met afwijkende prikkelgeleiding van de zenuwen;
    2. Positieve MRI-scan van het ruggenmerg (twee of meer scherpeT2 laesies)
    3. Afwijkingen in het hersenvocht.

 

De 2005 Herzieningen


Wat is niet veranderd:

  1. De kern van een MS-diagnose is het objectief (door onderzoek van een arts) vaststellen van het verspreid voorkomen – in tijd en in plaats – van  signalen en symptomen die specifiek bij de ziekte horen. Dit  overheersende  punt stond centraal in het diagnoseproces en dat blijft ook in de herziening van 2005 zo.
  2. Ook blijft de constatering dat niet één enkele test de juiste informatie kan verschaffen om de diagnose MS te stellen. Daarom zijn onderzoeken ter ondersteuning van de diagnose – het zoeken en beschrijven van laesies in hersenweefsel op een MRI-scan ,onderzoek naar het hersenvocht en soms ook onderzoek naar de geleidingssnelheid van de zenuwen –  nog steeds belangrijk.
  3. Hoewel het gebruik van niet klinisch diagnostisch  onderzoek de diagnose MS kan versnellen, blijft alleen op  klinische gronden een definitieve diagnose mogelijk. Dit is vooral belangrijk in die gebieden van de wereld waar diagnostische onderzoeken misschien niet of onvoldoende beschikbaar zijn om voor de nodige informatie te zorgen.
  4. Voor de uitkomsten van niet-klinisch diagnostisch onderzoek mag geen betere verklaring mogelijk zijn dan de diagnose MS.

Wat is wel veranderd:

  1. De McDonald criteria van 2001 waren nogal expliciet over hoe de MRI-scans de verspreiding van de ziekte in de tijd moesten laten zien. De richtlijnen voor het bewijs van een diagnose waren vooral gericht op het feit dat er na inspuiten van contrastvloeistof verse laesies te zien moesten zijn en het was moeilijk om voor de diagnose T2 laesies te gebruiken Bij de 2005 criteria is het zo dat je, wanneer een scan een nieuwe T2 laesie laat zien, vergeleken met een scan die tenminste 30 dagen na de eerste klinische verschijnselen is gemaakt, nu gebruikt kan worden om een uitbreiding in tijd aan te tonen (tabel 1).
  2. In de oorspronkelijke McDonald criteria was gericht aangegeven hoe je de MRI-scan moest gebruiken om de afwijking als kloppend met MS te beoordelen en hoe je die kon gebruiken om de spreiding van de ziekte met betrekking tot de locatie te beoordelen. De criteria waren vooral ook gericht op MRI-onderzoek van hersenlaesies, terwijl de laesies in het ruggenmerg net zo goed bruikbaar zijn. De nu geboden herziening versterkt de bijdrage van de laesies van het ruggenmerg en geeft aan hoe deze laesies meer gericht kunnen bijdragen aan de beslissing dat een afwijking op de MRI al of niet op MS wijst (tabel 2);
  3. De oorspronkelijke McDonald criteria wezen op de moeilijkheid bij de diagnose primair progressieve MS (PP MS). Voor de diagnose PP MS moest een afwijking in het hersenvocht zijn aangetoond. Sindsdien laten diverse onderzoeken zien dat nogal veel mensen met wel degelijk PP MS toch geen aantoonbare afwijking in het ruggenmergvocht hebben. De herziene criteria 2005 geven aan dat het aantonen van een afwijking in het ruggenmergvocht wel nuttig is voor het stellen van een diagnose maar dat als de MRI van de hersenen en het ruggenmerg al op MS wijzen, een ruggenmergprik niet noodzakelijk is voor een definitieve diagnose (tabel 3).

Bron: Annals of Neurology, November 10, 2005

Een nog verdere vereenvoudiging van deze officiële diagnose ten behoeve van de dagelijkse praktijk is gepubliceerd in Annals of Neurology van februari 2011; Diagnostic criteria for multiple sclerosis: 2010 Revisions to the McDonald criteria, Chris H. Polman MD, PhD1,and others. First published online: 8 MAR 2011

Op MSweb zijn de vereenvoudigde criteria te vinden in de rubriek ‘Wat is MS >> Diagnose’

Dit bericht heeft 0 reacties
Klik op een tabblad om aan te geven hoe u wilt reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top