homesitemapcontactA+

Woordenlijst

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A

AbductorspierSpier die dient om een lidmaat naar het lichaam toe te bewegen in de richting van de hoofdas van het lichaam. De adductoren van de beenspieren worden bijvoorbeeld gebruikt om de benen te sluiten)
AcupunctuurGeneeswijze door het aanbrengen van naalden tot in het onderhuids bindweefsel ter behandeling van aandoeningen of ter verkrijging van gevoelloosheid.
AcuutPlotseling en direct optredend, kortdurend.
Adaptief immuunsysteemEen systeem van B- en T-lymfocyten. Dit zijn cellen, die na de geboorte een herinneringsvermogen hebben gekregen dat is opgeslagen in receptoren, specifiek gericht tegen indringers. Het treedt als vervolg op het innate systeem in werking.
AetiologyZie ook etiologie: de leer der ziekte oorzaken.
Afferent pupildefecteen abnormale reflexreactie op licht die wijst op een zenuwbeschadiging ten gevolge van een oogzenuwontsteking.
AllelVan elk gen zijn twee of meer uitvoeringen mogelijk. Elke uitvoering wordt een allel genoemd. Het begrip gen is dus een overkoepeling van twee of meer alternatieven.
AnamneseVoorgeschiedenis van een ziekte; hetgeen een patiënt bij een onderzoek zich kan herinneren over het ontstaan van de ziekte.
Anti-inflammatoirOntstekingsremmend.
AntigeenEen chemische stof waarop je lichaam reageert. Je probeert het onschadelijk te maken. Dit heet een immuunreactie. Het immuunsysteem maakt dan een antilichaam – ook wel antistof genoemd -. Die hecht zich aan het antigeen en maakt het onschadelijk. Normaal gaat het om een stof, die van buitenaf in het lichaam binnendringt. Bij MS vindt een immuunreactie plaats tegen een stof, die het lichaam zelf maakt: een auto-immuunreactie. Het antigeen is dan een stof uit de beschermende myelinelaag om de zenuwen, die door de immuunreactie wordt afgebroken
Antigeen-presenterende cellen (APC)Immunologisch actieve cellen die door het bindingsklaar maken van antigenen als starters van het immuunsysteem functioneren. Als zodanig kunnen vooral dendritische cellen, macrofagen en B-cellen functioneren.
AntilichaamEen eiwit dat door het immuunsysteem wordt gemaakt als reactie op een antigeen. Een antilichaam bindt aan het antigeen waartegen het is opgewekt en zorgt er op deze maier voor dat dit antigeen onschadelijk wordt gemaakt of wordt verwijderd.
AntistofEen woord met dezelfde betekenis als antilichaam.
AscilinderHet centrale prikkelgeleidende deel van de neuriet, in het verdere verloop omgeven door myelineschede.
AspiratieInhalatie van voedselpartikels of vloeistoffen in de longen.
AstrocytStervormig vertakte gliacel in het centrale zenuwstelsel met lange of korte uitlopers.
AtaxieCoördinatiestoornis van de spieren door aandoeningen van de hersenen of ruggenmerg.
AtrofieTeruggang in de voedingstoestand der organen waardoor deze verkleinen of verschrompelen.
Auto-immuniteitOngewenste reactie van het immuunsysteem waarbij het immuunsysteem het eigen lichaam aanvalt.
Auto-immuunziektenZiekten waarvan het ontstaan wordt toegeschreven aan het vormen van antistoffen tegen eigen lichaamsweefsel, zoals bijvoorbeeld multiple sclerose en reuma. De juiste oorzaak en de fysio-pathologische processen van deze aandoeningen zijn onbekend
Autonoom zenuwstelselGedeelte van het zenuwstelsel dat de onwillekeurig, buiten de wil om, functionerende organen verzorgt. Organen zoals de spijsvertering, de bloedsomloop, de ademhaling, de stofwisseling, enz.
AutoreactiefCellen van het immuunsysteem zijn autoreactief als ze het lichaam van de persoon zelf aanvallen.
AxonSynoniem voor neuriet of ascilinder. Neuriet is de uitloper van de zenuwcel die de impulsen geleidt van het cellichaam af.

B

B-celeen bepaald soort witte bloedcel. B-cellen zijn cellen van het immuunsysteem die als taak het maken van antilichamen hebben. Deze antilichamen kunnen binden aan het antigen dat ze herkennen en deze zo onschadelijk maken.
Babinskihet in een reflex omhoog bewegen van de grote teen en spreiding van de overige tenen bij prikkeling van de voetzool met een voorwerp, zoals een wattenstaafje. Reflex van Babinski is een diagnostisch verschijnsel bij aandoeningen van de piramidebaan. De Franse neuroloog Babinski (1857-1932) beschreef deze reflex.
BAEPBrainstem auditory evoked potential; een test waarbij de elektrische hersenactiviteit als respons op een geluidsprikkel wordt geregistreerd en geanalyseerd met een een computer. Demyelinisatie geeft vaak een vertraging van de respons. Daarom kan deze test soms nuttig zijn bij de diagnose van MS.
Barkhofcriteriaonderzoeksresultaten van een MRI-onderzoek. Een internationale commissie onder leiding van prof. Barkhof (VU-Amsterdam) noemt vier onderzoeksresultaten op een MRI, die je vaak ziet bij mensen met MS. Als bij iemand drie van de vier te vinden zijn mag je de diagnose ‘beginnende MS’ stellen. Zie ook Meer over MS >> diagnose >> Nieuwe diagnose-criteria opgesteld (onderaan in tabel 2)
BaseDNA is opgebouwd als een heel lange rij (sequentie) van vier verschillende stoffen, basen of ook wel nucleinezuren genoemd, of ook wel (gebonden aan een suikermolecuul) nucleotiden genoemd. De volgorde waarin deze basen achter elkaar zijn geschakeld bepaalt de code voor het maken van een eiwit. Ze worden vaak afgekort als A,C,G en T. Dit staat voor adenine, cytosine, guanine en thymine. Een willekeurige code is dus …….G-T-G-C-A-T-……
Beenmerghet binnenste van het botweefsel waar de bloedcellen worden gemaakt waaronder de T-cellen van het immuunsysteen.
Bell’s palsyeen aangezichtsverlamming of facialisparalyse die kan optreden ten gevolge van MS, een virale infectie of andere infecties. Deze verlamming ontstaat meestal acuut; ze kan blijvend of van tijdelijke aard zijn
Benignegoedaardig, ongevaarlijk; in tegenstelling tot maligne (kwaadaardig).
Bèta-interferoneen cytokine dat een groep T-cellen activeert, die gericht zijn tegen een ontstekingsreactie in het centrale zenuwsysteem die bij een MS-schub optreedt.
Biasbij onderzoek een beïnvloeding van onderzoeksresultaten door omstandigheden die op niet te corrigeren wijze meewerken aan het resultaat. Speelt bij retrospectief onderzoek en open onderzoek vaak een rol, die tot foute conclusies leidt.
Black holehypointensive lesion = minder aankleurend bij T1- metingen (met contrast). Duidt op axonschade.
Bloedhersenbarrièrede laag van cellen en eiwitten tussen het bloed en het centrale zenuwstelsel. Onder normale omstandigheden zorgt deze ervoor dat cellen en de meeste eiwitten niet vanuit het bloed in de hersenen en het ruggenmerg kunnen komen. De bloed-hersenbarrière beschermt het centrale zenuwstelsel tegen schadelijke stoffen en cellen in het bloed.

C

Case-control-onderzoekzie prospectief onderzoek.
CD‘oppervlakte-eiwit’, specifiek aanwezig (als label) op bloedcellen . De diverse CD-eiwitten worden onderscheiden met een nummer bijvoorbeeld CD4, CD24, CD80
Centraal Zenuwstelsel(CZS) hersenen en ruggenmerg, vanwaar – als van een centrum uit – de zenuwen uitgaan.
Cerebellum(kleine hersenen). Deel van de hersenen gelegen boven de hersenstam dat instaat voor het evenwicht en de coördinatie van de bewegingen.
Cerebrum(grote hersenen). De beide hersenhemisferen verantwoordelijk voor motorische activiteit en het denken.
Chromosomendraadvormige structuren in de celkern die genen bevatten; een menselijke cel bevat normaal 46 chromosomen; ieder chromosoom bevat één spiraalvormig gewonden DNA-molecuul
Chronischlangdurig, aanhoudend, slepend verloop.
Clonuszich snel herhalende ritmische samentrekkingen van een spier of een spiergroep, een teken van spasticiteit.
Cognitiefbetrekking hebbend op het geheel van informatieverwerkingsprocessen waartoe de mens in staat is. De hogere hersenfuncties die bestaan uit de volgende functies: begrips-en spraakvermogen, rekenvermogen, geheugen, aandachtsvermogen en functies zoals plannen, probleemoplossing, enzovoort.
Cognitieve stoornisveranderingen in cognitieve functie door ziekte of trauma. Bij 50 tot 60 procent van de mensen met MS treden in min of meerdere mate cognitieve stoornissen op. Het gaat vooral om stoornissen van het geheugen, van informatieverwerking en van uitvoerende functies.
Componenteen weefsel is opgebouwd uit componenten. Dat zijn de bestanddelen, die in de samenstelling van bestudeerde weefsels terug te vinden zijn.
Concentratiede concentratie is de hoeveelheid van een stof, uitgedrukt in ‘moleculen’ per liter.
Consecutief(=achtereenvolgend) Het verzamelen van een willekeurige groep mensen in de volgorde waarin je ze tegenkomt. Bijvoorbeeld alle mensen die zich op dinsdagen tussen twee en drie uur melden bij de balie van je polikliniek.
Contractiesamentrekkig van spieren die resulteert in de beweging van een gewricht.
Contractuurblijvende verkorting van weefsels (spieren en pezen), waardoor verkromming ontstaat door dwangstand van één of meer gewrichten. Indien dit niet behandeld wordt kan het aangetaste gewricht zogenoemd bevriezen in die stand.
Cortexhersenschors.
Corticosteroïdenbijnierschorshormonen; natuurlijke of synthetische hormonen die een ontstekingswerende en immunosuppressieve rol spelen in de behandeling van opflakkeringen bij MS.
CSF – cerebrospinal fluidook wel liquor cerebrospinalis genoemd. Zie: liquor.
Cystoscopieurinewegonderzoek met een cystoscoop. De cystoscoop wordt via de urethra (urinekanaal) tot in de blaas gebracht om vervolgens de urineblaas van binnen te onderzoeken.
Cytokine(letterlijk: celbeweger) – een groepsnaam voor stoffen die door sommige soorten bloedcellen worden geproduceerd om een immunologische reactie in gang te zetten. Zij fungeren als chemische boodschappers in het lichaam. Ze kunnen via hun boodschapperfunctie andersoortige bloedcellen aanzetten om ontstekingen te activeren of juist te remmen.

D

Decubitusdoorliggen, bedzweer; degeneratie van weefsels vanwege slechte plaatselijke doorbloeding veroorzaakt door druk- en of schuifkrachten. Treed op bij lang in bed liggen of bijvoorbeeld bij verkeerde houding (en kussen) in een rolstoel.
Demografischeen beschrijving door middel van kenmerken als de gegevens van het bevolkingsregister, dus bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, woonplaats, geboorteplaats enz.
Demyelinisatiehet verdwijnen van de myelineschede om een zenuwvezel.
Dendritische cellenook wel dendrocyten (DC’s) genoemd. DC’s zijn immunologisch actieve witte bloedcellen die als starters van het immuunsysteem functioneren en dan ook wel “professionele antigeen-presenterende cellen” of APC’s genoemd worden.
DendrocytenDendrocyten : zie dendritische cellen
Detrusorspierblaasmusculatuur voor het lediging van de blaas
Diffuuszich over een groot gebied uitstrekkend, maar meestal zwak.
Diplopiedubbelzicht; gelijktijdige waarneming van twee beelden van hetzelfde object, het gevolg van een falen van gecoördineerde samenwerking tussen beide ogen. Het afdekken van één van beide ogen zal het dubbelzicht doen verdwijnen.
Diureticumurinebevorderend middel, plaspil.
DNAafkorting van deoxyribonucleic acid, is een dimere macromolecule dat in levende wezens de drager is van erfelijke informatie. Het bevindt zich in elke celkern. Wordt ook vaak desoxyribonucleïnezuur genoemd.
Dubbel-blinde klinische studieeen studie waarbij geen enkele deelnemers aan de studie weet wie de testmedicatie of een placebo (zie verderop in deze woordenlijst) krijgt. De bedoeling van dergelijke dubbelblinde opzet is te vermijden dat er onbewust vooroordelen optreden. De blindheid kan opgeheven worden indien medische omstandigheden dit vereisen
Dubbelblind onderzoekOnderzoek waarbij noch de onderzoeker noch de onderzochte weet heeft van de onderzoeksgegevens en bijvoorbeeld of iemand een placebo of een medicijn krijgt. De controlerende arts tijdens een trial is een andere dan de onderzoeker en ze hebben geen contact met elkaar.
Dysartrieuitspraakstoornis, slechte articulatie bij het spreken te wijten aan het niet goed functioneren van de spieren. De oorzaak van dysartrie is vaak de ontstane schade aan het centraal zenuwstelsel of aan een perifere motorische zenuw.
Dysesthesievermindering van de gevoeligheid of overgevoeligheid voor bepaalde huidprikkels.
Dysfagieslikstoornis; bemoeilijkt slikken.
Dysfoniegebrekkige of verkeerde stemvorming; moeilijk geluid kunnen voortbrengen, zich uitend als schorheid. Oorzaak van dysfonie is spasticiteit, zwakte en gebrek aan coördinatie van de spieren in de mond en de keel.
Dysmetriecoördinatiestoornis veroorzaakt door letsels in de kleine hersenen. Het niet in staat zijn de juiste maat te schatten, nodig voor het uitvoeren van een beweging; afstand verkeerd schatten en daardoor misgrijpen

E

EAEexperimental autoimmune encephalomyelitis= experimentele auto-immuunontsteking van de myeline in de hersenen, het diermodel van MS.
EDSSexpanded disability status scale. Een schaal die wordt gebruik om aan te geven hoe groot iemands bewegingsbeperkingen zijn. Zie Expanded Disability Status Scale
Eiwiteen chemische stof, die is opgebouwd uit een aaneenschakeling van kleine moleculen (aminozuren. Die bevatten als kenmerk alle stikstof. Van die aminozuren zijn er 20 verschillende. De volgorde waarin ze aan elkaar geknoopt worden is geregeld vanuit de kernen van de cellen volgens een daarin opgeslagen vaste volgorde van 4 stoffen, de ‘basen’. De volgorde waarin de basen aan elkaar geknoopt zijn is dus bepalend voor de samenstelling van een eiwit. Zo’n streng basen vormt samen een molecuul DNA. Het bevindt zich in één van de kernlissen in de kern -zie chromosomen. Een hoofdtaak van eiwitten is het regelen van de stofwisseling – zie enzymen. Eiwitten kunnen ook dienen als bouwmateriaal voor het lichaam. Ze maken dan onderdeel uit van de stofwisseling.
Elektro-encefalografie(EEG) diagnostische onderzoeksmethode waarbij met elektroden, aangebracht op het hoofd, de elektrische activiteit van de grote hersenen worden geregistreerd.
Enzymeneiwitten, die noodzakelijk zijn voor het laten verlopen van chemische reacties in het lichaam. Ze nemen niet aan die reacties deel en zijn dus katalysatoren. Vergelijk het met een hamer, die de timmerman gebruikt om een plank aan de muur te maken. Zonder hamer is dat moeilijk en de hamer blijft de hamer.
Etiologiezie ook aetiologie: de leer der ziekte oorzaken.
Euforieeen gevoel van welbehagen, een goede stemming hebben, zich prettig voelen. Euforie treedt vaak op als gevolg van hersenbeschadiging.
Exacerbatieeen terugval in – of opflakkering van – MS. Een een periode met klachten, die ook wel aanval of schub wordt genoemd.
Expressie (van een stof)de hoeveelheid van een stof. Mate van expressie wordt vaak gebruikt bij immunohistochemische studies waarbij men geen harde, kwantitatieve uitspraken kan doen over precieze hoeveelheden maar wel indicaties heeft (bijv. sterkere aankleuring) dat een gezochte stof (bijvoorbeeld een bepaald eiwit of een bepaald vet) verhoogd tot “expressie” komt, dat wil zeggen aanwezig is.
Extensorspasmuseen symptoom van spasticiteit waarbij de benen plots languit stijf uitgestrekt worden. Deze spasmen kunnen enkele minuten duren en treden meestal ’s nachts op of bij het opstaan uit bed.
Extremiteitenledematen, armen en benen.

F

Faecesontlasting
Familiairgezegd van ziekten of verschijnselen die in een groep van bloedverwanten voorkomen, zonder duidelijke erfelijkheid.
Farmacologiede leer of kennis van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem (mens en dier).
Fatigue Severity Scale (FSS)De FSS is een enquêtelijst, die onderzoekers gebruiken bij het beoordelen van de mate van moeheid van mensen met MS. Door bij iedere vraag de mate van eens zijn aan te geven kan de onderzoeker de mate van moeheid beoordelen.
FDAFood and Drug Administration: Amerikaanse organisatie die de regeringsvoorschriften uitvoert voor het maken en verkopen van voedingsmiddelen, geneesmiddelen en schoonheidsmiddelen.
Fenotypebetekent de erfelijke informatie die tot uiting komt en zichtbaar is. Het fenotype wordt dus bepaald door het genotype. Aangezien omgevingsfactoren een rol kunnen spelen bij de manier waarop de erfelijke informatie tot uiting komt, hebben organismen met een zelfde genotype – bijvoorbeeld een ééneiige tweeling – niet noodzakelijk het zelfde fenotype. Veel kenmerken worden bovendien bepaald door meerdere genen zodat het niet steeds eenvoudig is om te bepalen welk genotype verantwoordelijk is voor een specifiek fenotype
Fibronectinenin het bloed en in weefselvloeistoffen aanwezige enzymatische glycoproteïnen, van belang voor met name fysiologische functies van het organisme.
Flexorspasmusonwillekeurige, soms pijnlijke contracties van de flexoren – buigspieren -. Deze spasmen duren een paar seconden en zijn een symptoom van spasticiteit.
Focaalzich tot een klein gebied beperkend en scherp begrensd, puntvormig.

G

GadoliniumEen marker voor lekkage van de bloed-hersenbarrière. Gadolinium geeft een signaal op een MRI-beeld. Gadolinium kan de bloed-hersenbarrière niet passeren. Een gadolinium-signaal op een MRI-beeld na het inspuiten van gadolinium in het bloed, betekent dus dat het gadolinium via een lek in de bloed-hersenbarrière het centrale zenuwstelsel moet zijn binnengekomen.
Geëvoceerde potentialenRegistratie van de elektrische respons van het zenuwstelsel op een stimulatie van een specifieke sensibele zenuw, zoals een oogzenuw of een gehoorzenuw. Tijdens een test van geëvoceerde potentialen wordt de geregistreerde respons weergegeven op een oscilloscoop en geanalyseerd met behulp van een computer. Het is mogelijk om de geregistreerde responstijd te vergelijken met een normale responstijd; demyelinisatie geeft een vertraging van deze responstijd.
GemiddeldeVerkrijg je door optellen van gegevens en ze daarna te delen door het aantal gegeven
Gen drager van de informatie voor een specifieke erfelijke eigenschap in een cel. Na de ontdekking van de structuur van het DNA werd ‘gen’ het woord voor een deel van het DNA-molecuul waaruit een chromosoom bestaat. Tegenwoordig ligt dit nog weer aanzienlijk gecompliceerder. Gen is misschien nog het best op te vatten als een natuurlijke eenheid van erfelijke informatie.
GenenDragers van de informatie voor een specifieke erfelijke eigenschap in een cel. Na de ontdekking van de structuur van het DNA werd gen(en) het woord voor een deel van het DNA-molecuul waaruit een chromosoom bestaat. Tegenwoordig ligt dit nog weer aanzienlijk gecompliceerder. Genen zijn misschien nog het best op te vatten als een natuurlijke eenheid van erfelijke informatie.
GeneticaErfelijkheidsleer. De tak van de wetenschap die de erfelijkheid en erfelijke eigenschappen bestudeert.
GenetischErfelijk, de erfelijkheid betreffend.
GenoomHet geheel aan erfelijke eigenschappen, dat een mens bepaalt. Meer in het bijzonder: de volledige structuur van al het DNA in de celkern van een mens
GenotypeIs de erfelijke informatie die is opgeslagen in het DNA onder de vorm van genen. Alle
eigenschappen en kenmerken van een organisme worden in eerste instantie bepaald door het genotype.
GliacellenGliacellen of gliale cellen, de niet zenuwcellen in het centrale zenuwstelsel. Astrocyten, microglia en oligodendrocyten zijn gliacellen.
GlycoproteïnenOok wel mucoproteïnen; uit eiwitten en koolhydraten samengestelde proteïnen.
Grijze stofDe gebieden in de hersenen die met zenuwcellen gevuld zijn. Deze gebieden zien er grijs uit als je de hersenen doorsnijdt en bekijkt.

H

HemiparalyseVerlamming van een lichaamshelft
HemiplegieVerlamming aan één zijde van het lichaam.
HersenstamDeel van het centraal zenuwstelsel dat niet tot de hersenschors behoort.
HersenzenuwenPerifere zenuwen (zenuwen buiten het CZS) die sensorische, motorische en parasympathische signalen doorgeven naar de hals en het gelaat. Het gaat om een groep van twaalf zenuwen waaronder de nervus opticus (gezichtszenuw) en de nervus trigeminus (drielingzenuw). De evaluatie van de werking van de hersenzenuwen behoort standaard tot een neurologisch onderzoek.
HistochemieTechniek waarbij wordt onderzocht of en in welke mate een stof in weefsel aanwezig is met behulp van een speciale kleuringstechniek voor deze stof.
HistologieWeefselleer. De bestudering van cellen en eiwitten in weefsels met name met behulp van speciale kleurreacties en de microscoop.
HypotonieOnvoldoende spanning van de spieren.

I

IgG-index in liquor(Het aantal grammen immunoglobuline-G per liter liquor gedeeld door het aantal gr. albumine per liter) x (gr. albumine per liter bloedserum gedeeld door aantal gr. immunoglobuline-G per liter). Bij meer dan 80 proecent van de mensen met MS is deze index groter dan 0,7 wegens verstoring van de bloed-hersenbarriere
ImmunoglobulinesZie antilichamen
ImmunologieLeer van het immuunsysteem. De tak van wetenschap die het afweersysteem van het lichaam bestudeert.
ImmuunsysteemHet afweersysteem van het lichaam, dat het lichaam beschermt tegen infectie met bacteriën, virussen of schimmels. Er zijn twee systemen te onderscheiden. Zie daarvoor innate en adatieve immuunsysteem.
IncidentieHet percentage nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte in een gemeenschap gedurende een jaar. Voor MS in Nederland is bijvoorbeeld de incidentie 0,004 %. Dit betekent dat er per 100.000 inwoners ieder jaar 4 nieuwe diagnoses MS bij komen.Gegevens uit 1996.
Innate immuunsysteemEen van nature aanwezig systeem dat de eerste klappen van een indringer opvangt. Dit systeem komt tot stand mede door de tussenkomst van een speciaal soort lymfocyten, zogenaamde Natural Killercellen
IntentietremorRitmisch schudden dat optreedt wanneer je een bepaalde beweging wil uitvoeren zoals je uitstrekken om iets op te tillen.
InterferonLetterlijk: tussendrager. Eiwit dat vrijkomt uit bloedcellen. Het is een cytokine dat wil zeggen, het fungeert als boodschapper in het lichaam en kan cellen van het immuunsysteem activeren. Er zijn drie soorten, die een aan elkaar tegengestelde werking kunnen hebben: a, ß en y-interferon. Bij MS kun je ß-interferon toepassen als activator van een groep T-cellen die gericht zijn tegen een ontstekingsreactie in het centrale zenuwsysteem.
InterleukinesInterleukines zijn eiwitten van het immuunsysteem. Ze zorgen als ‘boodschapperstoffen’ voor het geven van signalen tussen de cellen van het lichaam betreffende de werking van het afweersysteem. Er zijn vele soorten met veel verschillende functies. In een systematische naamgeving worden ze aangeduid met bijvoorbeeld IL-7, IL-14, IL-4 enzovoort.
InterventiestudieInterventiestudie is een experimenteel onderzoek waarbij men het effect van een experimentele interventie (bijvoorbeeld medicatie) onderzoekt.
Intrathecale ruimteRuimte rondom de hersenen en het ruggenmerg die het liquor bevat.
IntraveneusIn een ader, bijvoorbeeld een injectie in een ader

K

KatheterSlangetje voornamelijk in gebruik om urine in de blaas te laten weglopen door het in het urinekanaal te brengen.
KlinischZiekte of ziekenhuis betreffend.
Klinische bevindingWaarneming tijdens medisch onderzoek die weergeeft of er een verandering of aantasting van de fysische en/of mentale functies is opgetreden.
Kwantitatieve MRINieuwe vorm van MRI, waarbij niet het maken van afbeeldingen, maar het verrichten van metingen de belangrijkste rol speelt. Kwantitatieve MRI maakt het mogelijk om verschillende MRI’s beter met elkaar te vergelijken.

L

LaesieEen aangedaan gebied. In MS betekent dit een gebied waarin de myeline is verminderd of verdwenen en waar vaak een litteken is ontstaan.
LeukocytWitte bloedcel
Lhermitte, teken vanVooroverbuigen van het hoofd met de kin op de borstkas veroorzaakt een – soms pijnlijk – gevoel als van een elektrische ontlading langs de wervelkolom.
LiquorHersenvocht; waterige, kleurloze vloeistof waarin de hersenen en het ruggenmerg baden, die het ruggenmerg en de hersenen beschermt. De samenstelling van het liquor kan wijzigen door ziekten. Bepaalde veranderingen in de samenstelling van het liquor zijn karakteristiek voor MS en kunnen worden vastgesteld door middel van een lumbale punctie
LongitudinaalEen longitudinaal onderzoek is een onderzoeksopzet waarbij je gedurende een periode op een aantal tevoren afgesproken tijdstippen de stand van een duidelijk gedefinieerd iets registreert (of de toestand van een bepaalde deelnemende persoon)
LumbaalpunctieAftappen van lumbaalvocht – hersenruggenmergsvocht – met een holle naald in het ruggenmerg te steken ter hoogte van het niveau van de 3e – 4e of 5e lumbale ruggenwervel. Deze procedure wordt vaak toegepast bij MS om veranderingen in de samenstelling van cerebrospinaal vocht, die karakteristiek zijn voor MS te onderzoeken. Het gaat dan om verhoogd eiwitgehalte, de aanwezigheid van oligoclonale bandjes, verhoogd aantal witte bloedcellen.
LymfocytWitte bloedcellen die deel uitmaken van het immuunsysteem, verdeeld in B- en T-cellen.

M

Mac Donald’s criteriaMac Donald stelde als eerste criteria op waaraan je moest voldoen om definitief te lijden aan een ziekte met de naam multiple sclerose. Sindsdien zijn die criteria voor de diagnose steeds scherper vastgesteld. Zie Meer over MS >> diagnose >> Nieuwe diagnose-criteria opgesteld
MacrofaagCel van het immuunsysteem die tot taak heeft om dode cellen of aan antilichaam geboden antigenen te verwijderen door deze ‘op te eten’. Macrofaag betekent letterlijk: grote eter.
Magnetization Transfer Ratio (MTR)MRI-techniek waarbij de mate bekeken wordt waarin waterstofatomen in grote moleculen na magnetisering gaan trillen (eigenlijk spinnen) in verhouding tot de waterstofmoleculen die niet zo erg aan grote moleculen zijn verbonden. Geeft dus een maat voor de moleculaire dichtheid van weefsels.
MarkerMerkstof; een stof waarmee je een bepaald proces in het lichaam kan volgen. Gadolonium is een marker voor het lekken van de bloed-hersenbarrière.
MatrixDriedimensionale structuur van bestudeerd weefsel.
MediaanAls je voorwerpen, mensen of getallen achter elkaar zet is de mediane de middelste
Meta-analyseBij een meta-analyse van een onderzoeksonderwerp zoek je in de wetenschappelijke literatuur naar publicaties over dat onderwerp, selecteert de meest statistisch van belang zijnde resultaten daarvan en voegt die statistisch samen. Zo ontstaat een meer gefundeerde uitspraak over het onderwerp.
MFSIDe Modified Fatigue Impact Scale (MFIS) wordt gebruikt als meetinstrument om de mate van vermoeidheid vast te stellen. Het kent een score van 0-60 punten. 0 = niet vermoeid, 60 = ernstig vermoeid.
MHC klasse l en llTwee soorten eiwitten die antigenen ‘presenteren’ aan cellen van het immuunsysteem. MHC klasse l en 11 binden stukjes van deze antigenen en brengen dit naar de oppervlakte van de cel, waardoor cellen van het immuunsysteem kunnen zien dat er zich in de cel antigeen (bijvoorbeeld van een virus) bevindt of dat de cel antigeen heeft opgenomen van buiten.
MicrogliaLetterlijk: kleine glial. Bepaald type hersencel. De microglia maken deel uit van het afweersysteem van de hersenen en zijn als ware de macrofagen van de hersenen.
Micromol(µmol) zie mol
Millimol(mmol) zie mol
MitochondrieEen deeltje dat buiten de celkern binnen zoogdier- en mensencellen ‘zwemt’. Het zorgt voor de energieproductie. Via een serie chemische reacties (de ademhalingsketen) wordt in de mitochondrie een zuurstofmolecuul uit de ademlucht samengebracht met twee waterstofatomen uit het voedsel. De energie die deze ‘knalgasreactie’ oplevert slaat de mitochondrie op in de gecompliceerde stof ATP, die naar plaatsen vervoerd wordt waar energievraag is en die daar geleidelijk de energie weer afgeeft.
MolHoeveelheid van evenveel grammen van een stof als het molecuulgewicht van die stof bedraagt. In de scheikunde is dit de gebruikelijke internationaal gehanteerde (SI)-eenheid van gewicht. In de biochemie is de hoeveelheid doorgaans heel veel kleiner: mmol=een duizendste mol; micromol (µmol)= een miljoenste mol;nanomol (nmol)= een duizendste µmol; picomol (pmol)=een miljoenste µmol
Monoclonaal antilichaamEen eiwit dat doorgaans kunstmatig is gemaakt in een proefdier en dat is gericht op een tevoren aan het dier gegeven stof. Het kan dan ‘geoogst’ worden en gezuiverd gebruikt voor bestrijding van de ongewenste stof bij de mens. Een bij de mens spontaan ontstane concentratie van een monoclonaal antilichaam wijst op celgroeiontsporing en dus kanker. Zie ook antilichaam.
Monoclonale antistoffenIn het laboratorium geproduceerde antistoffen die je zodanig kunt programmeren dat ze tegen een specifiek antigeen reageren om de immuniteitsrespons te onderdrukken
MonocytBepaald type witte bloedcel. Monocyten zijn de voorlopercellen van macrofagen.
MRIMagnetic resonance imaging, een techniek waarmee je met behulp van metingen met magneetvelden in het centrale zenuwstelsel kan kijken. Met MRI kunnen plaatjes van het CZS gemaakt worden, die laten zien of en op welke plaatsen myeline is verdwenen. Daarnaast kan je met MRI kijken of een in het bloed gespoten stof in het CZS terecht komt. Als dat het geval is, zit er een lek in de bloedhersenbarrière.
MS Severity Score (MSSS) Een scoretabel waarbij de ziekteduur mede in rekening is gebracht bij de EDSS, die alleen de mate van invaliditeit beschrijft. Op die manier ontstaat een schaal van 0-10, die maatgevend is voor de snelheid waarmee de ziekte zich ontwikkelt
MyasthenieErnstige vorm van spierzwakte.
MyelineVetachtige, witte stof die in de vorm van de zogenaamde myelineschede de zenuwvezels isolerend omhult. De myeline draagt bij tot een efficiënte zenuwgeleiding; bij myelinebeschadiging, zoals bij MS, loopt de zenuwgeleiding mank of is ze zelfs afwezig. Dit kan leiden tot diverse symptomen.
MyelitisRuggenmergontsteking, kan soms leiden tot dwarslesie (myelitis transversa)

N

Nanomol(nmol) zie mol
Nervus opticusGezichtszenuw.
Nested-case-onderzoekOnderzoek waarbij de onderzoeker achteraf uit een gegevensverzameling voor een ander doel een bepaald ziektebeeld selecteert en met de gegevens daarvan een retrospectief of case-control-onderzoek gaat doen.
NeurietUitloper van de zenuwcel die de impulsen geleidt in de richting van het cellichaam af.
NeurologieLeer van het centraal, perifeer en autonoom zenuwstelsel. Neurologie is de kennis van de somatische ziekten van het zenuwstelsel en hun behandeling.
NeuronZenuwcel bestaande uit een celkern en één of meer uitsteeksels genaamd dendrieten en axonen.
NeuropsycholoogPsycholoog die speciaal opgeleid is voor de evaluatie van cognitieve functies. Neuropsychologen gebruiken een reeks van gestandaardiseerde tests om specifieke cognitieve functies te beoordelen en om domeinen van cognitieve aantasting te identificeren.
NucleotideEnkel (single)-nucleotide polymorfisme (SNP) betreft een variatie in het DNA – een polymorfisme waarbij een enkele nucleotide betrokken is. Nucleotiden vormen de bouwstenen voor DNA en RNA. Op één plaats in de genetische code (meestal genoemd ‘genoom’) kan men dan bij verschillende mensen een ander nucleotide aantreffen. Er wordt bijvoorbeeld van een SNP gesproken als de DNA-volgorde op een bepaalde plaats op een chromosoom zowel AAGCCTA als AAGCTTA kan zijn. Daarbij staan de letters als afkorting van vier verschillende nucleotiden.
NystagmusOogbeving, elke niet-willekeurige ritmisch heen- en weergaande beweging van de oogbol.

O

ObductieVerwijderen van organen na iemands overlijden.
Odds ratio (O.R.)Ook wel hazard ratio: de mate waarin een persoon of een groep een andere kans heeft om iets te krijgen of te verwerven. Bij gelijke kansen is deze ratio 1,0. O.R.=2 is dus een twee keer zo grote kans. Daarbij geef je doorgaans de onzekerheid aan in dat getal, dus bijvoorbeeld O.R.=2.0 (1,7-2,3)
OligodendrocytLetterlijk: cel met enkele uitlopers. Ologodendrocyten zijn de cellen de die myelineschede vormen om de zenuwvezels in het CZS. De cellen maken myeline en sturen dit naar hun uitlopers. Deze uitlopers wikkelen zich vervolgens om de zenuwvezels en vormen zo de myelinescheden.
Oligoklonale bandenDiagnostisch teken dat abnormale concentraties van bepaalde antistoffen aangeeft in het cerebrospinaal vocht. De aanwezigheid van oligoklonale banden in het cerebrospinaal vocht vinden we bij ongeveer 90 procent van de mensen met MS, maar het is niet specifiek voor MS.
Open onderzoekAlle onderzoeksgegevens zijn bij iedereen bekend tijdens de onderzoeksperiode. Dit veroorzaakt suggestie en daardoor bias bij de onderzoeker. Zie bij bias.
OrtheseHulpmiddel ter ondersteuning van een bepaalde motorische functie van een lichaamsdeel.
OscillopsiaTrilling van het gezichtsbeeld; continue, onwillekeurige, chaotische oogbewegingen die resulteren in een stoornis van het gezichtsvermogen waarbij voorwerpen lijken op en neer te springen en botsen.

P

P (=probability)De kans dat een conclusie op toeval berust. Voor een wetenschappelijk verantwoorde conclusie nemen onderzoekers doorgaans aan, dat die kans kleiner dan vijf procent moet zijn. In een publicatie staat er dan: P<0,05 (licht significant) of bijvoorbeeld P<0,001 (heel erg significant). In het laatste geval is de kans, dat iets toeval is dus kleiner dan één op de duizend.
PareseOnvolledige verlamming; zwakte van de beweging
PathologieLetterlijk: ziekteleer. De onder de microscoop zichtbare afwijkingen in weefsel, die het gevolg zijn van een ziekte.
PeptideStukje van een eiwit.
PerifeerAan de buitenzijde, in tegenstelling tot centraal.
PerivasulairRondom de bloedvaten gelegen (peri= rondom; vasculair= de bloedvaten betreffend)
Phenotypezie fenotype
Pia materEen hersenvlies, dat het hele zenuwweefsel in de hersenen omsluit.
Picomol(Pmol) zie mol
PilotVooronderzoek; een onderzoek van beperkte omvang om te bekijken of verder onderzoek aan het onderwerp zinvol en/of technisch mogelijk is.
Piramidale banenZenuwbanen in de hersenen en het ruggenmerg die de hersenzenuwcellen verbinden met de motorische cellen. Beschadiging van deze piramidale banen kan verlamming veroorzaken.
PlaceboBlindpreparaat, pseudo-geneesmiddel zonder farmacologische werking. Een placebo wordt gebruikt in dubbelblinde klinische studies (zie ook in deze woordenlijst).
Bij placebo-gecontroleerde geneesmiddelenstudies wordt het te testen middel vergeleken met een placebo om te corrigeren voor eventuele positieve effecten die het gevolg zijn van de verwachting van de deelnemers en artsen
PlaceboeffectEffect van een geneesmiddel dat niet toe te schrijven is aan zijn farmacologische eigenschappen; een schijnbaar gunstig therapieresultaat omdat de patiënt verwacht dat de therapie zal helpen.
PlaqueDemyelinisatiehaard bij MS.
PolairToestand als bij polarisatie beschreven.
Polarisatiebetekent in de biologische wetenschappen een toestand van ongelijke elektrische lading, waardoor tussen twee uiterste plekken (de polen) een elektrisch spanningsverschil ontstaat. In de chemie wordt het woord gebruikt om een dergelijke toestand in een chemische stof aan te geven.
PolymorfismeEen variatie in een gen. Je spreekt van polyformisme als op een bepaalde plaats in een gen veel verschillende variaties binnen de bevolking worden gevonden.
Post mortemNa de dood
PrevalentieHet totaal aantal lijders aan een bepaalde ziekte dat op een gegeven tijdstip in een bevolkingsgroep aanwezig is.
Primair progressiefVorm van MS waarin vanaf het begin van de ziekte verslechtering optreedt. Ongeveer 15 procent van de mensen met MS heeft deze vorm van MS. In tegenstelling tot de intermitterende vorm van MS (RR MS) komt PP MS even vaak voor bij mannen als bij vrouwen.
Pro-inflammatoirOntstekingsbevorderend, ontstekingsactiverend.
PrognoseVoorspelling omtrent het verdere verloop van een ziekte.
Progressie – bij MS –De snelheid waarmee de ziekteverschijnselen toenemen
PromotorIs een gedeelte van de voor het eiwit coderende basenrij (sequentie) van het DNA dat de snelheid bepaalt, waarmee het voor het eiwit coderende stuk DNA wordt afgelezen en dus ook de snelheid waarmee het eiwit wordt geproduceerd.
ProspectiefOnderzoek vanaf het heden waarbij in de toekomst gekeken wordt hoe het gaat aflopen. Kwalitatief de beste vorm van onderzoek. Een bezwaar is vaak, dat je heel lang moet wachten op resultaat. Soms zoeken onderzoekers daarom een tijdstip in het verleden om vanaf dat tijdstip te kijken hoe het met (de ziekte van) een patiënt tot het heden is gegaan in de loop van de tijd. Dit noemt men case-control- onderzoek.
ProteïnenEiwitten, opgebouwd aan elkaar gekoppelde aminozuren.

Q

QuadkrukKruk met een brede basis op vier korte poten die zorgen voor extra stabiliteit.
QuadriplegieVerlamming van de vier ledematen

R

RandomiserenHet door loting door een buitenstaander laten kiezen van een groep mensen uit een grotere groep. Vaak gebruiken onderzoekers deze term om aan te geven hoe je aan de mensen voor een proefbehandeling komt. De rest krijgt dan een placebobehandeling.
ReceptorLetterlijk: ontvanger. Een eiwit dat als een soort antenne dienst doet op een cel. Een receptor kan signalen van buiten de cel opvangen en doorsturen naar binnen. Een receptor ontvangt signalen door aan de buitenkant van de cel een stof te vangen. Een receptor kan meestal maar één stof herkennen en vangen.
Relapsing-remitting MSEen vorm van MS, waarbij perioden met klachten worden afgewisseld door perioden van geheel of gedeeltelijk herstel.
RemissiePeriode van afname van klachten en/of herstel bij de relapsing remitting vorm van MS.
RemyelinisatieHet – gedeeltelijk – terugvormen van een myelineschede om een zenuwvezel, waarvan de myelineschede eerder is verdwenen.
Retrospectief onderzoekOnderzoek op grond van gegevens uit het verleden. De onderzoeker kijkt vanuit het heden terug. Van minder waarde dan prospectief onderzoek.
RNAEen op het erfelijk materiaal (DNA) lijkende stof. Als een gen actief is, maakt het RNA-kopieën van het DNA.

S

SchubEen plotselinge verergering van MS. Gaat na enige tijd weer over. Andere woorden met dezelfde betekenis: exacerbatie, opflakkering, opstoot, relaps. Komt voor bij de relapsing- remitting vorm van MS (RRMS)
SchwanncellenSchwanncellen vervullen buiten het centrale zenuwstelsel de taak om myeline te vormen. Elke cel vormt één segment van een myelinelaag en tussen elk segment vind je de knopen van Ranvier. De cellen van Schwann hebben als taak de prikkelgeleiding in de axon van zenuwcellen te versnellen. Ze hebben daarmee dezelfde taak als oligodendrieten in het centrale zenuwstelsel.
SclerosisZiekelijke verharding van weefsel. Bij MS gaat het om de vorming van verspreide harde plekken in hersenen en ruggenmerg.
Secondair progressiefSecondair progressief: een vorm van MS die kan optreden na relapsing-remitting MS. Bij secondair progressieve MS treedt er verslechtering op zonder tussentijds herstel.
SequentieZie bij het woord ‘base’.
SerumVloeistof uit het bloed. Bloed waaruit de cellen zijn verwijderd.
Sfinctersluitspier; ringvormige spier rondom een natuurlijke lichaamsopening die door samentrekking deze opening kan vernauwen of afsluiten, zoals de anale sluitspier en de sluitspier van de blaas.
SignificantEcht, dat wil zeggen: statistisch van belang en dus waar. En dus niet: aanzienlijk of belangrijk.
SNPEnkel (single)-nucleotide polymorfisme betreft een variatie in het DNA – een polymorfisme waarbij een enkele nucleotide betrokken is. Nucleotiden vormen de bouwstenen voor DNA en RNA. Op één plaats in de genetische code (meestal genoemd ‘genoom’) kan men dan bij verschillende mensen een ander nucleotide aantreffen. Er wordt bijvoorbeeld van een SNP gesproken als de DNA-volgorde op een bepaalde plaats op een chromosoom zowel AAGCCTA als AAGCTTA kan zijn. Daarbij staan de letters als afkorting van vier verschillende nucleotiden.
SSEPSomatosensory evoked potential; een test die de elektrische hersenactiviteit meet die ontstaat als antwoord op herhaalde milde elektrische stimuli van verschillende delen van het lichaam. Demyelinisatie leidt tot een vertraging van deze responstijd. Deze test is bruikbaar bij de diagnose van MS.
StamcelNog niet voor een speciaal weefsel geprogrammeerde cel. Zie verder MS-onderzoek >> Dossiers >> Stamcellen
StofEen in de biochemie vóórkomende natuurlijke en scherp te onderkennen en te beschrijven chemische stof, bijvoorbeeld het aminozuur alanine (C3NO2H8), glucose (C6O6H12) als bestanddeel van glycogeen enz. enz.
Suppressor T-lymfocytenWitte bloedcellen die deel uitmaken van het immuunsysteem; antigeen specifieke t-cellen die de immunoreactie remmen.

T

T-celLymfocyt die ontstaat in het beenmerg, rijpt in de thymus en deel uitmaakt van het immuunsysteem van het lichaam.
T1 en T2Termen gebruikt om de meettechniek bij een Magnetic Resonance Image (MRI) aan te geven. Bij het meten van de mate waarin kernen van atomen ‘resoneren’ onder invloed van een magnetisch veld kan de onderzoeker meten hoelang de ‘spin’ (een tolbeweging dus) in de richting van het veld aanhoudt na een impuls (Tijd 1 – vaak toegepast met contrast om nieuwe laesies te ontdekken) en de onderzoeker kan dat meten loodrecht op het veld (Tijd 2). Beide meetmethodes hebben hun voordelen en geven ieder een verschillend beeld.
TENSTranscutaneous electric nerve stimulation; elektrische stimulatie van de zenuw voor behandeling van chronische pijn.
ThymusZwezerik, klier waarin zich lymfocyten ontwikkelen die van belang zijn in de immuunrespons.
TolerantieVerschijnsel dat het immuunsysteem ongevoelig is geworden voor een bepaald antigen, waarop het normaal wel reageert.
TransgeenDier met een extra gen – bijvoorbeeld een menselijk gen -.
TransmigratieHet passeren van de bloed-hersenbarrière door witte bloedcellen.
TrigeminusneuralgieAcute, heftige pijn in het gelaat veroorzaakt door demyelinisatie van zenuwvezels.

V

Ventrikelstelsel van de hersenenHet ventrikelstelsel bestaat uit de beide zijventrikels, de derde ventrikel en de vierde ventrikel. Dit zijn onderling verbonden holtes die zich in de hersenen bevinden.
VEPVisual evoked potential; een test die door een elektroëncefalogram (EEG) en een computeranalyse de elektrische hersenactiviteit registreert die ontstaat als antwoord op visuele stimuli, zoals een flikkerend beeldscherm. Demyelinisatie leidt tot een vertraging van de responstijd. Deze test is bruikbaar bij de diagnose van MS.
VertigoDuizeligheid, evenwichtsstoornis, vaak gepaard gaande met misselijkheid en braken. Het gaat om een onaangenaam gevoel van instabiliteit van het lichaam ten opzichte van de omgeving.
VirologieVirusleer; de tak van wetenschap die virussen bestudeert.

W

Witte stofDeel van het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) waar de uitlopers van de zenuwcellen, de zenuwvezels, zijn gelegen.

Z

ZenuwBundel van zenuwvezels (axonen). Er zijn afferente en efferente zenuwvezels. Afferentie zenuwvezels lopen in de richting van het centraal zenuwstelsel en zij staan in voor de perceptie van gevoelsstimuli van de huid, gewrichten, spieren en inwendige organen. Efferente zenuwvezels voeren van het centraal zenuwstelsel weg en bemiddelen in de contracties van spieren of organen.
ZenuwblokkadeProcedure die gebruikt wordt om onbehandelbare spasticiteit en pijnlijke flexorspasmen te verlichten. Er wordt fenol ingespoten in de aangetaste zenuw. De fenolinjectie zal gedurende ± 3 maanden effect hebben en geleidelijk aan het comfort en de mobiliteit van de persoon verhogen.
ZenuwstelselHet zenuwstelsel bestaat uit: het centraal zenuwstelsel (hersenen, het ruggenmerg en de oogzenuwen) en het perifeer zenuwstelsel. Het perifeer zenuwstelsel bestaat uit de zenuwwortels, de zenuwplexus en de zenuwen doorheen het lichaam.

Uitleg

fp-woordenlijstWe proberen alle moeilijke medische termen, die niet in een simpel woord zijn te vertalen, zo goed mogelijk uit te leggen.
Als je woorden tegenkomt die je niet begrijpt, mail ze aan redactie@msweb.nl dan kunnen wij die woorden opnemen.